De stad uit
Na weken in Wenen eindelijk weer eens de stad uit. Het is zondag en zeventien graden. Veel te warm voor een februari in Oostenrijk, maar aangezien dat besef de werkelijkheid niet zal veranderen, maken we er maar het beste van en rijden we naar een rots.
Ik denk aan de koffieafspraak die ik aan het begin van de week had, met de Oostenrijker met het jezuskapsel. Nog niet eerder had ik iemand ontmoet die zó doordrongen was van het besef van de penibele staat van de wereld. In de berichtenuitwisseling die aan onze afspraak voorafging, maakte hij al eens een verwijzing naar de klimaatcrisis, en had hij bovendien een profielfoto waarop hij te zien was op het moment dat vier Oostenrijkse politiemannen hem wegdroegen van een of andere klimaatgerelateerde blokkade (eigen invulling). Ik wist niet of dat betekende dat ik het onderwerp maar beter kon vermijden of juist bevragen en koos – niet volledig doordacht – dat laatste.
Achteraf liep ik naar huis met een hoofd dat duizelde van de existentiële twijfels. Niet werken voor een pensioen omdat er toch niet genoeg toekomst overblijft om daar van te genieten? Een klimaatdepressie moeten doormaken om pas écht te beseffen hoe we ervoor staan? Hij vertelde het allemaal alsof het de normaalste zaak van de wereld was en ik lachte hier en daar wat weg om mijn groeiend ongemak te verhullen. ‘Volgende keer kunnen we wel gaan boulderen,’ zei hij toen we afscheid namen. Dat valt nog te bezien. Eerst maar weer even terug naar mijn gewone leven, dat hopelijk meer toekomst heeft dan dat deze fatalistische Oostenrijker voorspelt. Carpe diem? Of toch maar memento mori?
Mijn existentiële overpeinzingen in de wacht gezet, zit ik dus in een auto met vier klimfanatici, voor wie deze zeventien graden aandoen als een hittegolf, maar dan zonder de apocalyptische bijsmaak. Waar ik als mooiweerklimmer bij het aanbreken van de herfst lijdzaam de rots voor de klimhal heb ingewisseld, zijn zij de hele winter doorgegaan, weer of geen weer. Ik vind het bewonderenswaardig, maar voel geen jaloezie als ik terugdenk aan de laatste keer aan de wand met dubbele broek en dikke donsjas– en dan nog steeds gevoelloze vingers als je je klim begon. Nee, doe mij dan toch maar een verwarmde hal met plastic grepen, waarvoor je niet voor dag en dauw je bed uit moet.
Bovendien lieten de laatste twee wintermaanden zo goed als geen tijd over voor hele dagen de stad uit. Wat voelt als het drukste semester ooit, is nu voorbij, op nog een laatste deadline na. Anders dan een jaar geleden, vullen deze Semesterferien zich als vanzelf op met de ene na de andere afspraak. Al zou ik het nog zo graag willen, ik kom Wenen de laatste tijd maar weinig uit. Dat is in de praktische zin natuurlijk ook lastiger in zo’n omvangrijke stad, waarin je voor het overbruggen van een afstand van het ene district naar het andere soms al een reistijd hebt die je in Nederland van Amsterdam naar Utrecht zou brengen. Vanuit Wenen is de dichtstbijzijnde grote stad de hoofdstad van een ander land (Bratislava) of ben je tweeëneenhalf uur onderweg om de tweede grootste stad van Oostenrijk te bereiken (Graz). De kleinere stadjes en dorpen dichterbij zijn leuk om eens uit ontdekkingsdrang te bezoeken, maar bieden ook niet veel meer dan dat. Tenzij je er bekenden hebt wonen natuurlijk, maar zo geïntegreerd ben ik nou ook weer (nog) niet.
Kurz gesagt is het moeilijk om Wenen weer uit te gaan. En dat geldt niet alleen voor de korte termijn, ook op de lange termijn blijkt dat lastig. Het is een soort val, waar ik en velen van mijn nieuwe vrienden steeds meer beseffen in verstrikt te zijn geraakt. Nu het eind van de master angstvallig dichtbij komt, gaan gesprekken regelmatig over de vraag van daarna. Blijf je nog wat langer hangen, ga je terug, of volgt hierna weer een andere stad, in een ander land? Ik ben allesbehalve uniek in mijn overwegingen langer te blijven dan oorspronkelijk gepland was. Hoe langer ik hier woon en de stad en de mensen beter leer kennen, hoe sterker ik gehecht raak aan mijn leven hier. Dat Weense stadsleven, of het Großstadtleben in het algemeen, dat zich telkens weer van een nieuwe kant weet te laten zien. Een microkosmos die zich onophoudelijk blijft ontwikkelen, opnieuw uitvinden, zodat je er nooit op uitgekeken raakt. Misschien is het daarom zo lastig de stad uit te gaan: je blik blijft op het beweeglijke gefocust en als je een keer een hele andere kant op kijkt, ontdek je plotseling weer iets nieuws.
Voorlopig raak ik nog niet uitgekeken op Wenen. En wie weet wat er net buiten de stadsgrenzen verder nog te ontdekken valt. Ook daarom nu toch weer even een dagje de stad uit. Hoe groot mijn liefde voor de stad ook is, elk stadsmens heeft nu en dan een adempauze nodig om dat stadsleven van een afstandje te bezien. Even wat gezondere lucht in de longen en in het hoofd. Om je daarna met herwonnen waardering weer onder te dompelen in de stad.

Reacties
Een reactie posten