De natuur in II

Ik schrijf dit stukje vanuit een hut in het Höllental, een kilometer of 100 van Wenen. De afgelopen maanden ben ik hier vaker geweest, op gegeven moment zelfs bijna elk weekend– maar steeds maar voor een dagje. Om te klimmen, uiteraard, en wat dat betreft is het geen originele bestemming: op zonnige zaterdag- of zondagen staan de parkeerplaatsen langs de weg overvol met auto’s met Weense kentekens: de eigenaren ernaast bepakt met touwen, backpacks en helmen alvast op het hoofd. Een typisch beeld van Oostenrijkers in het weekend.

Ook ik heb die buitenkoorts te pakken. Sinds ik terug ben in Wenen en alle visite weer naar Nederland is teruggekeerd, ben ik aan de wandel geslagen alsof de duivel me op de hielen zit. Een uur naar een vriendin die drie districten verderop woont– geen probleem. ’s Avonds ook weer te voet terug naar huis– waarom ook niet? Twee dagen later een lange tocht door het Wiener Wald met onverwacht veel hoogtemeters, de dag ervoor nog de halve stad doorkruisd om een nieuwe boulderhal te bezoeken, en nu ben ik dus weer in een of ander berggebied beland waar ik vandaag een dag in de rots heb gehangen en morgen aan de wandel ga. Is dit wat Oostenrijk met je doet? Niet meer gewoon een dagje niks kunnen doen en thuis een serietje kijken?

Maar ik mag niet klagen. Ik woon dichter bij de natuur dan ooit en ben deze september nog geheel studieloos, omdat het nieuwe semester pas in oktober begint. (Alvast ter verdediging tegen aanklachten van pretstudie: ik heb gisteren nog een deadline van het vorige semester ingeleverd!). Wat dat betreft voelt deze september enigszins vergelijkbaar met afgelopen februari. Ik heb in een ongewone periode vrij, heb al mijn studiewerk afgerond, veel Weense vrienden zijn nog of weer weg en eigenlijk weet ik niet zo goed wat ik moet met al die tijd. ‘Ik voel me wat onthand,’ schreef ik toen, wat ik nu kan herhalen. Wat moet een mens dan ook met drie maanden collegevrij? Bang om doelloos rond te dobberen in die zeeën van tijd, heb ik me daarom maar ondergedompeld in alle buitenmogelijkheden die Wenen biedt.

En zo zit ik hier in m’n eentje in het Weichtalhaus, terwijl de rest van de buitensporters weer terug naar huis lijkt te zijn gekeerd. In de hut slapen vannacht maar een stuk of acht andere gasten, dus ik heb een hele Matratzenlager voor mij alleen. Geen gesnurk van oude alpinisten of een kakofonie van krakende bedden, en bovendien geen ronkende motoren of luidruchtige vuilnismannen waar ik de dagen ervoor door gewekt werd in de stad. Tegen negenen is het al doodstil in en om de hut en hoewel het Weichtalhaus maar op 548 meter hoogte ligt, waan ik me op een bergkam ergens hoog in de Alpen. De stad voelt ver weg en ik heb, zoals gehoopt, het onbestemde gevoel van de afgelopen dagen achter me gelaten. Niks doen blijkt bovendien veel makkelijker als je geen bereik hebt op je telefoon. Ik schrijf wat, lees wat en ga tegen tienen richting bed. Morgenavond weer naar Wenen, maar eerst nog te voet door de Weichtalklamm 800 meter omhoog naar de Kienthalerhütte. Hopelijk past er ’s avonds nog een stukje Höllentas in mijn tas mee naar huis.



Reacties