November
Ik zit weer eens te schrijven in een koffiehuis. Zo, een eerste zin, om maar een beginnetje te hebben. Al een week of wat neem ik me voor iets op papier te zetten– iets dat niet met studie te maken heeft en in het Engels is. Ik ben soms bang dat mijn Nederlands er op achteruit gaat, door al dat geëngels en geduits. Onlangs werd me zelfs verweten een Duits accent in mijn Nederlands te hebben, maar dat is natuurlijk pure quatsch. Zoveel Duits spreek ik nou ook weer niet. Dat ik Engelse zinsconstructies in mijn Nederlands begin te gebruiken, is helaas wel al een feit. Het wordt tijd dat ik weer eens terugga naar onze delta en me onderdompel in onze mooie taal. Om mijn verdere taalaftakeling tot die tijd tegen te gaan, ben ik de laatste dagen maar weer afleveringen van De Taalstaat aan het terugluisteren. Dat geeft al een beetje een gevoel van thuis. Thuis zijn in taal.
Heimwee heeft een sterk taalcomponent, besefte ik een poosje geleden. Ik vraag me af of je je ergens helemaal thuis kunt voelen als je er de taal niet spreekt. Of, om het positiever te verwoorden: ik denk dat je je ergens méér thuis gaat voelen, je meer gaat binden aan een plek, als je de daar gesproken taal je eigen maakt. Niet alleen vanwege het simpele feit dat je dan makkelijker contact maakt met je nieuwe medemens, maar ook omdat we met woorden vorm en gevoel kunt geven aan een plek. Mijn thuisgevoel in Wenen neemt toe naarmate ik meer herinneringen in de stad vorm: herinneringen die korte verhalen zijn uit mijn leven, en verhalen die door taal worden gevormd.
De afgelopen tijd heeft dat meer diepgang gekregen, door naast mijn volledig subjectieve ik-ervaring van de stad ook meer en meer een indruk te krijgen van het Wenen bezien door Oostenrijkse ogen. ‘Bezien’ is dan eigenlijk niet het juiste woorden, beter is ‘beschreven’ en ook ‘bezongen’. Hoe wordt het stad en het stadsleven gevat in woorden? Welk gevoel roepen die op? En door wie worden die verwoord? Muziek en film speelden daar een belangrijke rol in.
Eind september zag ik de film Vienna Calling in een klein bioscoopje in het vijfde district. Het is een film over de Weense muziekscene van nu en toont een kant van Wenen die ik nog niet eerder kende. Een rauwere kant– niet het Wenen van de keizerlijke grandeur, maar een Wenen van echte mensen die soms ook maar gewoon wat aanmodderen in de marge. Die ‘echte mensen’ in de film waren een aantal Weense muzikanten, die afwisselend gevolgd werden door de camera. De film was eigenlijk een aaneenschakeling van impressies uit die verschillende, vaak overlappende, levens en hoefde ook niet meer te zijn dan dat.
Die namiddag in september zat ik in de bioscoopzaal naast de leuke Oostenrijker waarmee ik toen pas voor de tweede keer had afgesproken. Hij kende vrijwel alle artiesten en gaf gedurende de film fluistercommentaar over wie wie is en welke nummers hij herkende. Een maand later gingen we samen naar een concert van een van die artiesten, genaamd Der Nino Aus Wien. We zagen hem in een klein zaaltje in Spittelberg, in het zevende district. Zonder band was het alleen hij met zijn gitaar, in het midden van het houten theatertje. Ik was lang niet zo ontroerd geweest door livemuziek. En dat ik me zo zou voelen over een of andere Oostenrijkse artiest waar ik tot een paar weken ervoor nog nooit van gehoord had, had ik al helemaal niet voorzien.
Sindsdien vormen zijn nummers de soundtrack van deze Weense dagen. In het bijzonder zijn taal, dat Oostenrijkse Duits, die nog niet mijn taal is, maar toch precies gevoelens tot uitdrukking weet te brengen die ik ook voel. Dat blijft iets wonderlijks– wanneer je voor het eerst een nummer hoort en denkt: ’ik had het zelf niet beter kunnen zeggen’. Alsof ik, toen de liefde in november haar lichtheid leek te zijn verloren en plotseling pijn deed, met mijn ziel onder mijn arm bij die Nino heb aangebeld, op zijn bank ben gaan liggen en hij à la Freud mijn zielenroerselen heeft neergepend en die vervolgens op muziek heeft gezet.
Natuurlijk kan ook een Duits liedje mijn gevoelens verwoorden. Net als dat een Italiaans, Zweeds of Perzisch liedje dat vast ook zou kunnen doen. Welke kunstvorm is immers beter in het uitdrukken van zulke universele menselijke gevoelens dan de muziek? Daar was menig kunstfilosoof het met me over eens: hoe de muziek het beste in staat is uitdrukking te geven aan hoe het is om mens te zijn, in al zijn pieken, dalen, kronkels en absurditeiten.
Dat alles en meer zat ik in die dagen te overdenken— wat een gebroken hart blijkbaar met je doet. Inmiddels is dat hart weer zo goed als in elkaar gelijmd. November is bijna voorbij en vandaag dwarrelen er voor het eerste dikke sneeuwvlokken langs mijn raam. Ik luister naar wat Nino en bemerk tevreden dat ik dat weer kan doen zonder er enorm sentimenteel bij te zijn. Aanstaande maandag zie ik die Nino voor de tweede keer in het echt. Hij heeft net een boek uitgebracht en presenteert die, met bijbehorende muziek. Dit keer ga ik er in m’n eentje naartoe. Het thuisvoelen in de taal gaat door, ook zonder de leuke Oostenrijker die dat proces in een stroomversnelling bracht. Niet dat die helemaal via de achterdeur mijn leven heeft verlaten. Het kostte heel wat woorden, maar we zijn irgendwie toch weer op dezelfde pagina beland (excuseer het anglicisme). We lezen rustig verder.

Reacties
Een reactie posten