Terug naar Wenen

Voor de derde keer sinds afgelopen oktober leg ik het traject Amsterdam-Wenen af. Ik begin de volgorde van de vele tussengelegen stations inmiddels uit mijn hoofd te kennen, net als de omgeroepen mededelingen in de trein en het menu van de bordbistro van de Deutsche Bahn. Toen ik vanochtend op de trein stapte en Amsterdam Centraal achter me liet, besefte ik dat het traject naar Wenen niet echt meer als een ‘buitenlandreis’ voelt. Ik ga weer naar huis, en dat is dat.

Misschien lag het er ook aan dat ik dit keer in plaats van twee weken, maar vijf dagen in Nederland was geweest. Het was niet meer dan een kort bezoek, waarin ik geen tijd had voor een complete revival van mijn leven voordat ik naar Oostenrijk vertrok. Ik had vooral ook geen tijd om mezelf weer te verliezen in sentimentele gedachten over hoe fijn het eigenlijk was om in Nederland te wonen, met iedereen dichtbij en de eindeloos gladde fietspaden. Nee, voordat ik me weer teveel ging hechten aan Utrecht en Amsterdam, ben ik er snel vandoor gegaan.

De vorige keer dat ik twee weken in Nederland was, kostte het me minstens diezelfde hoeveelheid tijd om erna weer aan Wenen te wennen. Voor het eerst sinds mijn vertrek bespeurde ik gevoelens van twijfel bij mezelf– een uiting van heimwee. Daar had ik in het eerste semester weinig tot geen last van gehad en ik wist niet wat ik er mee aan moest. Het was toen april: zonder het te beseffen, was er al meer dan een half jaar voorbijgegaan. Ik concludeerde dat de initiële honeymoon phase inmiddels toch echt achter me lag. Ook in Wenen is niet elke dag even leuk, net als dat in Utrecht ook niet het geval was. Maar op zulke dagen voelde Nederland wel extra ver weg.

Het aanbreken van de zomer in de stad maakte een einde aan mijn heimwee-weken. Ik had al veel gehoord over die ‘Sommer in Wien’. Nieuwe vrienden die al langer dan een semester in Wenen woonden, hadden in de door wolken en wintertijd verduisterde maanden al meermaals een droombeeld geschetst van de stad in de zomer. Ze spraken over eindeloze avonden aan het Donaukanaal, festivals en (al dan niet legale) feesten op het Donau-eiland, en een wildgroei aan tijdelijke terrassen (genaamd ‘Shanigarten’) op elke onbenutte hoek van de straat. Ik was er nog niet zo mee bezig, met die zomer, tot hij op een ochtend met een grandioze spagaat uit de coulissen kwam en mijn weerappje opeens 25 graden aangaf.

Alsof ik het vaker had gedaan, appte ik die avond na mijn Deutschunterricht een Weense vriend met de vraag of hij een biertje wilde drinken am Kanal, waarop ik een paar minuten later ‘gern’ ontving. Effectieve communicatie. Ik sprong op mijn fiets en rolde heuvelafwaarts naar het kanaal, met een korte pitstop bij een Würstelstand om een paar blikjes koude Ottakringer te kopen. En zo zat ik niet veel later met mijn benen over de rand van de kade van het Donaukanaal, terwijl de lucht boven de stad paars-oranje kleurde. In de verte lagen de heuvels van het Wiener Wald, waar de wijngaarden inmiddels ook weer hun diepgroene kleur hadden gekregen, en op de voorgrond de indrukwekkende aanblik van de statige Weense stadsarchitectuur.

Na vijf hele fijne dagen in Nederland, kijk ik er ook naar uit weer terug in Wenen te zijn. De zomer heeft me opnieuw doen inzien wat voor fantastische stad ik het al meteen vond en nog steeds vind. En dat ik daar naartoe ‘naar huis’ mag gaan, voelt plotseling weer best bijzonder. Misschien is die honeymoon phase toch nog niet helemaal voorbij. 


 

Reacties