Stadtwanderwegen

Ik heb me voorgenomen om niet in elk stukje dat ik hier schrijf de oneindige buitenmogelijkheden rondom Wenen te bezingen. Dat kan op den duur vervelend worden, net als dat je een vriend of vriendin niet eindeloos kan aanhoren over de rozengeur en maneschijn van een nieuw gevonden liefde. Liefkozende woorden veranderen in zoetsappig gezwets. Ik zal me dus inhouden en weet ook: op gegeven moment gaat die honeymoon phase voorbij. (Maar voorlopig nog niet, hoop ik.)

Dus wil ik nu wat schrijven over de buitenmogelijkheden binnen Wenen. Voor de autoloze mens die toch wat natuur wil opsnuiven, bestaat er een twaalftal Stadtwanderwegen die je gemakkelijk met de metro kunt bereiken. Je duikt vanaf huis het ondergrondse in en komt ergens bij een eindstation weer op straatniveau. Plotseling blijken er dan wel ‘normale’ woonwijken in Wenen te bestaan, waar men voor- en achtertuinen heeft en achter bescheiden gevels woont. Een groot contrast met het keizerlijke allure van de Innenstadt-architectuur en de paleisachtige woonblokken van zes hoog in de meeste districten daar omheen. Soms in de menselijke maat ver te zoeken in de Weense bouwstijl, maar zodra je buiten de Gürtel treedt, voel je je al gauw wat minder klein.

Een week of twee geleden was ik op een doordeweekse dag vrij en besloot ik Stadtwanderweg 1 te gaan doen. Het was stralend herfstweer en bijna te warm om oktober te zijn. Ik fietste vanaf huis naar de Donau en volgde die naar het noordwesten, waar de stad op gegeven moment overgaat in landelijk gebied. De wandeling startte in iets wat op een generiek Oostenrijks dorpje leek (maar eigenlijk nog bij Wenen hoorde) en kronkelde al gauw de Kahlenberg op. Bij elke bocht omhoog kon ik de stad steeds beter zien liggen. Aan de overkant van de Donau strekte zich het laagland uit dat verderop overgaat in Slowakije en Hongarije en Oostenrijk-inwaards keek ik uit over het groene heuvelland met felgele stroken aan wijngaarden, waar ik mijn wandeling op uitgekozen had.

September en oktober zijn de wijnmaanden in Oostenrijk: overal tussen de wijngaarden openen kleine restaurantjes (heuriger) hun deuren, waar je de ‘eerste wijn’ kunt proeven. Die wijn heet Sturm en is wat troebeler en zoeter dan gewone witte wijn. Het leek me een mooi doel van mijn wandeling om ergens tijdens de afdaling zo’n glaasje Sturm te drinken.

Vanaf het hoogste punt op de Kahlenberg kon je langs het pad naar beneden meerdere huisjes tussen de wijngaarden zien liggen. In het weekend worden daar schijnbaar busladingen met dagjesmensen uitgeladen, om zich vol te laten gieten met witte wijn. Ik stel me voor hoe op warme najaarsavonden bosjes mensen beneveld door de Sturm van heuriger naar heuriger zwalken en ergens tussen de druivenstokken eindigen. Eigenlijk wel leuker dan een pub crawl in de stad. Ik nam me om in het volgende Sturm-seizoen zoiets te ondernemen. Nu was één glaasje wel genoeg.

Terwijl ik aan de Sturm zat, zakte de zon langzaam achter de heuvels. Ik moest opschieten om niet in het donker het laatste deel van de afdaling te hoeven doen. Tegen de tijd dat ik weer bij mijn fiets was was de schemering al ver gevorderd en in het laatste licht fietste ik langs de Donau terug naar huis. 

Nee, ik geloof niet dat deze honeymoon-phase snel voorbij is. Zeker niet nu ik weet dat je je zelfs binnen de Weense stadsgrenzen in buitenstedelijke natuur kunt wanen. Er zijn nog elf andere stadswandelingen* die ik kan doen, met ongetwijfeld nog meer prachtige plekken om me aan te vergapen. Maar daar zal ik niet elke keer een lofrede over houden. Misschien alleen een fotootje als bewijs.

* Leuk feitje: Als je van alle twaalf stadswandelingen de stempels hebt verzameld (tijdens elke wandeling kom je ergens langs een stempelpunt), mag je in het Rathaus een speldje komen ophalen. Dat is toch enórm süß?

Reacties