De natuur in

In de twijfelperiode die aan het verhuisbesluit voorafging, speelden een paar factoren een doorslaggevende rol: de taal van de studie (Engels), de kosten van de studie (minder dan in Nederland) en de natuur in het landschap (bergen). Ik geef toe dat vooral dat laatste criterium zwaar meewoog. De twee maanden ervoor had ik grotendeels in de bergen en tussen de rotsen doorgebracht en eenmaal terug in Nederland viel de afwezigheid van rotsachtige natuur me zwaar. Dus heropende ik het dossier-studiekeuze. Na de zomer zou ik eigenlijk in Nijmegen gaan studeren: ik was al toegelaten tot een master en op het geld na was mijn inschrijving rond. Maar hoewel Nijmegen in elk geval nog boven NAP ligt, werd ik niet bijster enthousiast van het idee daar mijn studententijd te vervolgen met maar weinig wezenlijke verandering.

Ik raadpleegde Google Maps voor het vinden van universiteiten in de buurt van berggebieden. Vervolgens was het een kwestie van veel klikken en scrollen op vaak onoverzichtelijke websites van zulke instituten, om er al snel achter te komen dat er met het selectiecriterium 'Engelstalig' maar weinig over bleef. Op zich ook wel eens fijn om niet keuze te over te hebben. Een interessant-klinkende master in Innsbruck bleek te landbouw-achtig, de nieuwe, hippe duurzaamheidsmaster in Venetiƫ te vaag en elke andere universiteit in de buurt van de Alpen had maar weinig Engelstaligs te bieden, waar ik met mijn bachelor zou binnenkomen. En toen was daar Wenen. Engelstalig? Ja. Niet te duur? Zeker niet! (20 euro per semester, hoe bestaat het?). En in de buurt van bergen? Dat is een discutabel punt. In mijn hoofd lag Wenen zo ongeveer in het midden van Oostenrijk, maar toen ik nog eens goed keek, besefte ik pas hoe oostelijk de stad eigenlijk ligt: zo ongeveer het verste dat je in dat land van Alpen kunt wonen. Hmm. Ach ja, het is in elk geval dichter bij de bergen dan dat Utrecht ligt, dus ik nam dit relatieve nadeel maar voor lief en vertrok.

Inmiddels woon ik een week in Wenen en ben ik erachter gekomen dat ik werkelijk helemaal niks te klagen heb wat betreft rotsklimopties. Afgelopen zaterdagochtend vertrok ik vroeg met mijn nieuwe huisgenoot (ook klimmer) naar het nabijgelegen station, vanwaar we in iets meer dan een uur een weinig betekenisvol dorpje in het Neder-Oostenrijkse heuvelland bereikten. Met grote rugzakken met daarin touw, helm en ander klimmateriaal wandelden we tien minuten het bos in, tussen de bomen door omhoog, tot we een overhangende rotswand bereikten. Het was een ongewoon warme oktoberdag, maar in de schaduw van het herfstbos was het goed vertoeven. We klommen tot een uur of zes, waarna we weer rustig afdaalden naar het stationnetje. Biertje in de trein en ’s avonds thuis nog wat eten, na een hele dag buiten klimmen. Dat had ik niet durven dromen toen ik Wenen koos als nieuwe stad. Oostenrijk, wat ben je fijn!

 

Reacties